Voor de periode 2014-2020 heeft de Europese Commissie een overkoepelende verordening opgesteld voor de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESI-fondsen of ESIF).

Wie is verantwoordelijk?

  • De verantwoordelijkheid voor het Europees Fonds voor Regionale ontwikkeling (EFRO) (nationale programma’s en Interreg) ligt bij de Eurocommissaris voor Regionaal en Stedelijk Beleid (DG Regio)
  • De verantwoordelijkheid voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) ligt bij de Eurocommissaris voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken (DG EMPL)
  • De verantwoordelijkheid voor het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) ligt bij de eurocommissaris voor Landbouw (DG AGRI)
  • De verantwoordelijkheid voor het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZW) ligt bij de eurocommissaris voor Milieu, en Maritieme Zaken en Visserij (DG ENV)

In Nederland is het ministerie van EZK eindverantwoordelijk, behalve voor het Europees Sociaal Fonds (ESF). Daarvoor ligt de verantwoordelijkheid bij het ministerie van Sociale Zaken.

Bij de besluitvorming over EFRO spelen – naast de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parlement – het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en het Comité van de Regio’s (CvdR) een rol. In het Europees Parlement zijn onder andere de commissies Regionale Ontwikkeling en Werkgelegenheid en Sociale Zaken van belang.

Waar zijn de ESI-fondsen voor bedoeld?
Om aanspraak te maken op het budget uit de ESI-fondsen, moeten de lidstaten strategieën, plannen en programma’s ontwikkelen. In de zogenaamde RIS3 geven de regio’s aan op welke specifieke regionale speerpunten zij willen innoveren.

Wie is erbij betrokken?
De nationale en regionale doelstellingen worden vervolgens vastgelegd in een Partnerschapsovereenkomst met de Europese Commissie. De onderhandelingen hierover vinden plaats door nationale delegaties, bestaande uit vertegenwoordigers van het Rijk en de regio. Het ministerie van EZK leidt de delegaties voor EFRO, met uitzondering van Interreg B en C, die door het ministerie van IenW worden geleid.

De partnerschapsovereenkomst wordt uitgewerkt in operationele programma’s. Voor EFRO gebeurt dit door het ministerie van EZK, in samenwerking met de regio’s, waarbij de cofinanciering vooral uit de regio zal moeten komen. In de voorbereiding zijn ook andere stakeholders betrokken. In het jaarlijkse Nationale Hervormingsprogramma wordt de voortgang van de programma’s beschreven.