Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie gaat terug tot 1957. Het beleid moet ervoor zorgen dat er voldoende voedsel is in Europa en dat landbouwproducten kunnen worden verkocht tegen redelijke prijzen voor zowel boeren als consumenten.

Het GLB bestaat uit twee pijlers:

  • Pijler 1 is gericht op marktordening en inkomstensteun, hieronder vallen directe betalingen en richt- en interventieprijzen (ELGF).
    • Om steun te kunnen ontvangen uit Pijler 1 moeten ondernemers voldoen aan een aantal criteria op o.a. milieugebied (cross-compliance). Zo moeten boeren zich houden aan de nationale mest- en gewasbeschermingsregels, ook wel goede landbouwpraktijken genoemd. Daarnaast zijn er ook vergroeningsregels om in aanmerking te komen voor de vergroeningsprogramma.
    • De directe inkomstensteun bestaat uit een basispremie en een bedrag voor vergroening. Jonge boeren krijgen een top-up van 25% op de basispremie.
  • Pijler 2 is gericht op de ontwikkeling van het platteland (ELFPO). Het Europese plattelandsbeleid wordt vertaald in het Nederlandse Plattelandsontwikkeling Programma (POP). We zitten nu het derde programma (POP-3) met een looptijd van 2014-2020. Lidstaten zijn sinds 2000 vrij om middelen af te romen van de directe inkomstensteun (pijler 1) en over te hevelen naar de pijler 2. Dit heet modulatie.

Hoe komt de besluitvorming tot stand?
Bij de besluitvorming in Europa spelen de Europese Commissie, de Raad van Ministers en het Europees Parlement een rol. De Eurocommissaris voor Landbouw en Plattelandsontwikkeling is eerst verantwoordelijk en komt met een voorstel voor het GLB. Besluitvorming vindt plaats in de Raad Landbouw. Voor het Europese Parlement beoordeelt meestal de parlementaire commissie Landbouw en Plattelandsontwikkeling de voorstellen van de Europese Commissie en de eventuele aanvullingen van de Raad.

Binnen de grenzen van het GLB bepalen lidstaten hun eigen landbouwbeleid.

Klik hier voor een schematisch overzicht van Europees landbouwbeleid in Nederland (2014-2020).